HÉT INFORMATIEPUNT VOOR WASSERIJEN EN STOMERIJEN

NIEUWS, KENNIS EN INFORMATIE UIT DE BRANCHE

Onderhoud is bittere noodzaak, maar de handen ontbreken: “Je kunt gewoon niemand krijgen”

Industriële wasserijmachines gaan jaren mee, soms wel decennia. Juist daardoor wordt onderhoud vaak onderschat. Terwijl een stilstaande lijn een wasserij direct geld kost, en een goed onderhouden lijn juist geld oplevert. Tegelijk lopen de vakkennis en het technisch personeel terug, waardoor wasserijen en hun leveranciers steeds afhankelijker van elkaar worden. Vijf mensen uit de branche, van machineleverancier tot wasserij en stomerij, vertellen wat techniek en onderhoud vandaag de dag vragen. En waar het misgaat.

Vraag je op straat hoe een wasserij er vanbinnen uitziet, zal men snel een rij met wasmachines voor zich zien. Maar niks is minder waar. Een moderne wasserij lijkt eerder op een fabriek. Het vuile wasgoed gaat eerst door een wasstraat, daarna door drogers en mangels, om vervolgens via insteek- en vouwmachines te worden gevouwen en gesorteerd. Daartussen lopen tientallen transportbanden, en steeds vaker nemen robots het sorteren, insteken en stapelen over. Elke schakel is gespecialiseerd, en elke schakel heeft onderhoud nodig. Valt er één weg, dan kan de hele lijn stilvallen. De bedragen die ermee gemoeid zijn, zijn navenant. “Praat je over een relatief eenvoudige mangelstraat, een insteker, mangel en daarachter een vouwmachine, dan zit je al snel op zes tot negen ton”, zegt René Vellinga van Lampe Technical Textiles. “En voor de wasstraat waarin het wasgoed wordt gewassen, praat je al snel over een miljoen.”

Slijtage

“Lampe is groot geworden met mangelbekleding”, vervolgt René. “Een mangel is een verwarmde metalen bak waar het laken doorheen gaat en in één handeling wordt gestreken en gedroogd, om er aan de andere kant op een vouwmachine uit te komen.” De bekleding op de rollen is daarbij slijtagegevoelig. “Die moet je net als een autoband op tijd vervangen, ergens tussen de acht maanden en twee jaar. Dat is specialistisch werk, want er zijn heel veel verschillende mangels en evenzoveel soorten bekleding.”

Datzelfde geldt voor onderhoud van de machines zelf, benadrukt Walter ten Hagen van Landuwasco. “Je kan een industriële wasmachine bijvoorbeeld niet vergelijken met de wasmachine bij je thuis. Bij de installatie komt er een zeep-specialist mee die het hele wasproces instelt, tot het waterniveau per artikel aan toe, of het nu om handdoeken, lakens of kleding gaat. Daardoor is zo’n machine veel efficiënter en duurzamer. En hij is gemaakt om heel lang te draaien. Maar dat betekent niet dat je er niets aan hoeft te doen.”

Kostenpost of verdienmodel?

Onderhoud kost geld, maar je moet dat niet als belemmering zien, vindt Walter. Je kan het volgens hem goed vergelijken met onderhoud van een auto. “Je kunt een Mercedes rijden of een Fiat, de Mercedes is misschien degelijker, maar onderhoud heeft hij ook nodig. Brandt er een lampje in je auto, dan ga je naar de garage. Dat kost geld, logisch. Met een machine is dat precies zo. Alleen: zodra dat ding weer draait, komt het geld weer binnen. Downtime kost je juist geld. En daarom is op tijd onderhoud doen dus zo belangrijk.”

Dat het hard nodig is, laat hij zien met een simpele som. “Een auto heeft na 30.000 kilometer een beurt nodig, gemiddeld gezien zo’n 500 draaiuren. Een machine draait gemiddeld ruim 2.000 uur per jaar. Die heeft dus allang vier keer zoveel gedraaid, en krijgt vaak minder onderhoud.” Dat er soms terughoudend wordt gedaan met onderhoud, vindt hij dus gek. “Machines zijn duur. Juist daarom snap ik niet dat mensen er zo laks mee omgaan. Hij draait goed, en daar laten ze het bij zitten. Het is gewoon een kwestie van instelling. Sommige wasserijen hebben een prima technische dienst met onderhoudslijsten die de machines dagelijks, wekelijks of in ieder geval op een vast moment nalopen. En bij anderen is het helemaal niet geregeld.”

René ziet hetzelfde, en wijst op de winst die blijft liggen. “Er wordt te weinig geïnvesteerd in onderhoud. De sector draait met machines tussen de tien en veertig jaar oud. Dat hoeft geen probleem te zijn, maar te vaak accepteert men het met een likje verf en een rol ducttape.” Hij rekent het graag voor. “Een nieuwe verende bekleding op een mangelrol moet eens in de 10 tot 15 jaar worden vervangen. Schrijf je dat af over twee jaar, dan kost het zo’n 20 euro per dag. Daardoor verbeter je je capaciteit met vijf tot tien procent. Dat haal je er zo uit. En hoe harder de rol, hoe minder mooi je strijkt. Wanneer de rol te dun wordt, dan strijk je over een kleiner oppervlak en lever je capaciteit in. Met een nieuwe bekleding en een nieuwe veer eronder heb je weer een optimaal werkende mangel.”

De rekensom van stilstand

Voor wie productie draait, is die rekensom geen theorie. Wiljan van den Hoven, manager technische dienst bij Rentex, kiest bewust waar het onderhoud naartoe gaat. “We gooien niet alles in onderhoud, we kiezen prioriteitsmachines. Onze mangel verwerkt 1.400 lakens per uur. Valt die uit, dan heb ik een stilstand en moet ik de productie ergens anders wegdraaien.” De afweging is voor hem helder. “Onderhoud kost geld, maar het is bewezen goedkoper dan een ongeplande stilstand. Als ik niet kan uitleveren, lopen de transporten vertraging op. Preventief onderhoud wordt goedkoper, en de productiviteit gaat omhoog.”

Diezelfde logica bepaalt wanneer een machine wordt vervangen. “We rekken het gebruik van een machine best lang op”, zegt Wiljan. “Maar als je in drie jaar meer onderhoudskosten hebt dan een nieuwe lijn kost, dan is die nieuwe lijn interessanter. Onze nieuwste mangel is drie weken oud, daar ben ik trots op.” Het kan ook radicaler. René kent een Belgische wasserij die er een opvallend beleid op nahoudt. “Die vervangt iedere machine om de vier jaar. Altijd het nieuwste van het nieuwste. Een hele andere filosofie dan wij hier in Nederland kennen.”

Dat er nu vaker geld is om te investeren, heeft ook met de markt te maken. “Na corona hadden de horecawasserijen nog maar tien procent wasgoed”, vertelt René. “Toen het in 2022 weer losser werd, schoten de kilo’s explosief omhoog. Al die bungalowparken, hotels en campings zaten voller dan ooit. Daardoor staan veel wasserijen er nu beter voor en denken ze: die machine van dertig jaar oud, ik moet daar nu toch echt iets mee doen.”

Kennis verdwijnt

Een rode lijn in alle gesprekken die we voerden was dat de vakkennis op de werkvloer steeds meer verdwijnt. Dat is geen verrassing meer. René ziet het ook van dichtbij. “Vroeger had je een tussenlaag van personeel die dertig jaar meeliep en die aan het geluid, de geur en het gevoel merkte dat er iets aan de hand was met een machine. Die vertaalslag naar de eigenaar is er nu veel minder. Daardoor zijn wasserijen afhankelijker geworden van hun toeleveranciers.” Adviseren hoort er voor hem dan ook steeds meer bij. “Als ik ergens kom, schrik ik soms van hoe vaak apparatuur toch minder goed werkt dan men denkt. Klanten zeggen: ik krijg geen klachten, dus het gaat goed. Maar vind jij het zelf ook goed? Als je daar pas na klachten over nadenkt, ben je al twee stappen te laat.”

Dat leveranciers meer overnemen, merkt René ook concreet. “Een vouwmachine zit vol transportbandjes en cilinders. Als een wasserij dat zelf moet onderhouden, duurt het door personeelsgebrek zomaar drie maanden. Dus vragen ze: kun jij dat ook voor mij doen? Uitbesteden gebeurt steeds vaker, maar het blijft heel veel handwerk.” Ook Walter ziet de lat omhooggaan. “Het technische verhaal wordt steeds moeilijker. De apparatuur draait op centrale computers en zijn steeds meer complete systemen. Je hebt er echt kennis voor nodig, en die is niet overal in huis.”

Wie doet het werk?

Achter dat kennisverlies zit een hardnekkig personeelstekort. Bij Rentex is de technische dienst strak georganiseerd, en zelfs dan is het passen en meten. “We werken in twee ploegen, tot elf uur
’s avonds”, vertelt Wiljan. “Achttien uur per dag moet ik afdekken met vijf man technische dienst. Ik wil eigenlijk naar acht, met twee in de werkvoorbereiding en twee hulpmonteurs voor de smeerklusjes. Maar die mensen zijn heel lastig te vinden.” Een deel van het probleem is imago. “Als branche zijn we vrij onbekend bij het grote publiek. Mensen denken bij een wasserij aan een wasmachine zoals thuis, terwijl we hier een technische speeltuin hebben. Die zichtbaarheid mag positiever, juist bij technische opleidingen. En twee ploegen is ook niet wat de jeugd ambieert. Best veel vluchtelingen werken bij ons, via een uitzendbureau, en dat bevalt prima. Maar technisch personeel ligt echt niet voor het oprapen.”

Walter ziet de kosten van die schaarste oplopen. “Monteurs zijn duur, en de prijzen stijgen. De tijd dat de monteur voor dertig euro per uur kwam, is voorbij. De kennis is specialistischer geworden, want de machines worden ingewikkelder. Gelukkig helpt de machine de monteur tegenwoordig door foutmeldingen automatisch te registreren. En er wordt steeds meer in deeltijd gewerkt, waar iedereen recht op heeft, maar dan heb je in verhouding wel meer mensen nodig.”

Ron Ras van Wasserij/Stomerij de Kim vindt dat een deel van de oplossing bij de werkgevers zelf ligt. “Als je betaalt, heb je ook handjes. Leveranciers willen hun mensen niet genoeg betalen, vind ik. Zijn de arbeidsvoorwaarden goed, dan kun je ze wél vinden.”

Zelf doen of uitbesteden

Hoe je met dat tekort omgaat, verschilt sterk per bedrijf. Stomerij de Kim kiest zo veel mogelijk voor zelfredzaamheid. “Ik vind het leuk om het onderhoud zelf te doen. Ik heb iemand in dienst die me assisteert en een deel besteden we uit aan gespecialiseerde bedrijven, want als je het te druk hebt, kun je beter verkopen dan sleutelen.” De voorrijkosten van leveranciers zijn Ron een doorn in het oog. “Die vind ik belachelijk. Dan doe ik het liever zelf, als ik dat kan. We kunnen tegenwoordig zelf lassen, het is een kwestie van willen leren.” Dat leidde tot opmerkelijke uitstapjes. “Toen een reinigingsmachine kapotging, reed ik naar Stuttgart en kocht er een tweedehands voor de helft van de prijs. Binnen anderhalve week draaide hij weer. Met die actie heb ik mezelf twee ton bespaard. Soms kun je beter zelf wat proberen dan iedereen blind vertrouwen.”

Bij een bedrijf als Rentex is het een mix. “We werken hybride”, zegt Wiljan. “Een kwart van het onderhoud doen we in eigen beheer. Maar we hebben ook zelf ontwikkelde machines en robots staan waar je specialistische kennis voor nodig hebt. Daar zijn er te weinig van om mensen voor op te leiden, dus dat besteden we uit. Ons sorteersysteem laten we op zaterdag door een externe partij onderhouden, simpelweg omdat we doordeweeks de tijd niet hebben.” De meeste storingen zijn volgens hem voorspelbaar van aard. “Het zijn vaak gebruikershandelingen die misgaan. Een kledingstuk dat vastloopt, een band die stukgaat. Dat komen we het vaakst tegen.”

Techniek springt bij

Daar waar kennis verdwijnt, springt techniek bij. Steeds meer leveranciers kijken op afstand mee. Henk Klatter van TBR, dat zich richt op de water- en energiekant achter het wasproces, ziet de vraag verschuiven. “Vroeger keek men vooral naar de kostprijs van een machine. Nu wegen de verbruikskosten, zoals water en energie, veel zwaarder.” Bij een calamiteit kan TBR de systemen op afstand bedienen, zodat er niet meteen iemand de auto in hoeft.

Als het om het voorkomen van storingen gaat, ziet Henk een bredere verschuiving. “In een industriële wasserij draait het uiteindelijk niet om de machine, maar om de vraag of de boel blijft draaien”, zegt hij. “Een installatie levert pas iets op als ze betrouwbaar produceert. Klanten kijken daarom niet meer alleen naar de aanschafprijs, maar naar wat een machine over de hele looptijd kost: energie, water, onderhoud, productiviteit en beschikbaarheid. Met sensoren, monitoring en praktijkervaring kun je onderhoud steeds beter voorspellen en stilstand voorkomen. De toekomst zit dan ook niet alleen in slimmere machines, maar vooral in slimmer onderhoud, en in goede samenwerking tussen wasserij, leverancier en onderhoudspartner.”

Op afstand meekijken

Walter ziet er ook de voordelen van in om op afstand mee te kijken. Hij heeft camera’s in zijn machines hangen. “Zeker in onze robots, zodat we live met de klant kunnen meekijken. Het verkeer in Nederland is druk genoeg. Veel fijner als je kunt inloggen en meekijken. Dat heeft heel wat ritjes bespaard, bespaart veel downtime en het kost de klant niets.”

Ook René gebruikt, net als Walter en Henk, meetapparatuur tijdens inspecties. Zo gebruikt hij een warmtebeeldcamera om slijtage zichtbaar te maken. “Ik zag een mangel waarbij het verschil tussen het midden en de zijkanten dertig graden was. De zijkanten mangelde nog goed, maar het midden was al versleten. Met zo’n beeld laat je meteen zien wat het probleem is.”

Eigen beheer

Wel waarschuwen de gebruikers dat meekijken niet hetzelfde is als overnemen. “Wij hebben de totale regie over onze machines”, benadrukt Wiljan. “We werken er dag en nacht mee, dus we weten wat er speelt. Leveranciers mogen op afstand met onze toestemming meekijken, maar niet zomaar inloggen en ons stilzetten.”

De volgende stap is automatisering in combinatie met robotisering, als het aan Landuwasco ligt. “Wij zitten de laatste jaren steeds meer in de robotica”, zegt Walter. “We hebben niet voor niets zes ingenieurs aangenomen, ons R&D-team. Daardoor kan de ontwikkeling richting robotisering en AI zo hard gaan. Maar daar heb je wel een goede technische dienst voor nodig, en dat snappen wasserijen nog niet altijd.” Voor gebruikers zijn die ontwikkelingen juist nog pril. “Voor mij persoonlijk is AI ook nieuw”, zegt Wiljan. “Onze onderhoudssoftware is ermee bezig en het helpt, maar we gebruiken nog steeds vooral het gezonde boerenverstand. Ik weet wat we over vijf jaar doen; maak je de planning te dynamisch, dan varieert dat alleen maar.”

Niet alle technische ontwikkelingen werken ook echt. René vertelt over een poging om sensoren in de mangelbekleding te verwerken. ” De producent van het ruwe materiaal wilde een strip onder het materiaal leggen die meet hoe warm, vochtig en hoeveel druk er nog is op het wasgoed. Technisch lopen ze daar nog tegen zoveel problemen aan dat het nog niet haalbaar is. Je hebt het wel nodig, maar geautomatiseerd lukt het nog niet.” Innovatie blijft soms juist klein en praktisch. Zelf werkte René twee jaar aan een eenvoudig stuk gereedschap. “Een tang waarmee je transportbanden naar elkaar trekt. Dat kostte je eerst drie handjes. Met mijn tang, die ik jarenlang heb ontwikkeld, is dat veel makkelijker geworden. Geen robot, maar slim verstand. Wij doen nog veel traditioneel, en daar is niets mis mee.”

Samen aan tafel

Niemand kan het alleen, en dat is juist het mooie van deze branche. De grenzen tussen leverancier en wasserij vervagen, ziet Henk. “We zijn allemaal leverancier van dezelfde business en verantwoordelijk voor ons deel van het proces. Toch worden leveranciers nog te weinig gezamenlijk betrokken bij het realiseren van de doelstellingen van een wasserij. De grootste winst ligt vaak niet op machineniveau, maar in het optimaliseren van het totale proces. Juist door wasserij, machineleverancier, chemieleverancier en specialisten op het gebied van water en energie samen aan tafel te zetten, ontstaan de beste resultaten. Daarmee verschuift de rol van de leverancier steeds meer van productspecialist naar lifecycle partner.”

De branche is er klein genoeg voor, klinkt het van meerdere kanten. Iedereen kent elkaar, en goede leveranciers zijn servicegericht. Wiljan ziet zijn leverancier dan ook als een vaste partner. “Wij hebben ervaring en zij ook. We kunnen elkaar ondersteunen.” ■

Lees ook

Advertentie